Jay groeit op in een ongelukkig gezin met zeven kinderen waarin moeder de scepter zwaait. Voor de buitenwereld is ze het toonbeeld van vroomheid, nijverheid en vlijt. Voor haar echtgenoot en kinderen is ze de egoïstische, kleinzielige alleenheerser over Moederland, de koningin die regeert met een succesvol verdeel-en-heersbeleid. Terwijl de jaren voorbij sjokken, en moeder tot ieders verbijstering de 100 nadert, proberen de kinderen zich met wisselend succes aan haar wurggreep te ontworstelen. 

1 | Moeder van het jaar

Weer is herinnering. Zelfs de wind doet ertoe. De regenslag kan iets oproepen, net als een bepaalde lichtinval. Je hebt geen kalender nodig om je aan persoonlijke dieptepunten te herinneren. Je ruikt ze, je voelt ze op je huid, je proeft ze. Als je jarenlang op dezelfde plek blijft wonen, krijgt het weer langzamerhand betekenis, is het beladen met voortekenen, en bij elke wisseling roepen de temperatuur, het zonlicht, de bomen en bladeren emoties op. De hele wereld van verering stoelt op dit principe van vertrouwdheid met het weer: al dit ontzag is ooit ontstaan in een bepaald seizoen, op een specifieke dag.
Op die mooie ochtend in mei werden we naar huis ontboden en kregen we te horen dat vader ziek was. Moeder – zelfs in noodgevallen nog zuinig – belde zelden interlokaal, dus dit dure telefoontje betekende dat vader op sterven lag, dat we bij elkaar werden geroepen voor een dodenwake, in de vorm van een eigen, karakteristiek ritueel.
Je komt uit een familie zoals je uit een bepaald land komt. Dat van ons was een geïsoleerd gebied met zijn eigen gewoonten en wreedheden. Niemand kende ons en we wekten ook niet echt interesse, en daarom nam ik mezelf voor dat ik mijn familie – Moederland in elk opzicht – op de kaart zou zetten als de tijd rijp was.
We waren met acht kinderen, van wie er een was overleden. Onze ouders waren star, door het harde werken en door hun angst voor de armoede die ze tijdens de Grote Depressie hadden meegemaakt. In onze ogen leken ze stokoud, maar zolang ze nog bij ons waren, hoe seniel ook, bleven wij hun jonge, onvolwassen kinderen. We gedroegen ons nog steeds als kinderen toen moeder al een levend fossiel was. Op onze oude dag begonnen we aan onze echte, vreselijke kindertijd, als infantiele ouwe zeuren die door hun triomfantelijke moeder werden geregeerd.
De anderen vonden het vervelend – en vaak ook beschamend – dat twee van ons schrijver waren, want onze familie vond schrijven een nutteloze bezigheid. Als leken vonden ze het beroep van schrijver maar een opgeblazen soort luiheid. Ik werd veroordeeld om wat ik schreef. Ik denk niet dat mijn werk veel in deze familiegeschiedenis zal voorkomen, alleen incidenteel, wanneer de anderen er problemen mee hebben. Ik richt me hier vooral op het leven dat ik leidde toen ik nog vluchtgevaarlijk was, voordat ik het huis uit ging, rond mijn achttiende; en op de voortzetting van dit leven toen ik veertig jaar later terugkeerde en het hoofd moest bieden aan mislukking, verwarring en de dood. Het begin en het einde – niet de boeken over mijn leven, maar het voor‑ en nawoord. (...)
Wij kinderen hadden allemaal dezelfde vader, een kranige man, ook al was hij vaak ziek. Hij was een dwangmatige spaarder, altijd bezorgd. Zuinigheid was zijn obsessie. Als hij een stuk kauwgom pakte, brak hij het doormidden, want het kauwen van een heel stuk was een overbodige luxe. Hij bewaarde restjes touw, bewaarde roestige spijkers en schroeven in een potje, bewaarde houten planken, bewaarde alles. Zijn hele leven had hij een zwak voor de plaatselijke vuilstort, voor de schatten die daar te vinden waren. Naar de stort gaan was een uitje, en er verscheen een glimlach op zijn gezicht als hij vertrok, alsof hij naar een discountwinkel ging en zeker wist dat hij met een koopje zou terugkomen. Hij nam altijd een doos vol troep mee, maar kwam weer met half zoveel potentieel bruikbare spullen terug, die hij al rondscharrelend in de bergen smeulend afval had gevonden, tussen de rivaliserende meeuwen. De vuilstort was ook een van de plaatsen waar hij vrienden ontmoette; zijn andere ontmoetingsplek was de kerk. Zijn armoedige kindertijd had hem een slepende ziekte opgeleverd die hij zijn hele leven met zich meedroeg en die hem dankbaar maakte dat hij nog leefde.
Moeder was mysterieus en ondoorgrondelijk, soms onbegrijpelijk, als een wraakzuchtige godin. Ze was onzeker over haar macht, wat leidde tot een ongeduldige en veeleisende wreedheid die uit een andere tijd en een andere cultuur leek te stammen en die nooit verzadigd raakte. Dit maakte haar een moedwillige pretbederver. Moeders tegenstrijdigheden, haar stemmingswisselingen, haar onrechtvaardigheid, haar trouweloosheid en haar hardnekkige partijdigheid maakten haar voor iedereen weer anders. We hadden allemaal met onze eigen versie van haar te maken, we hadden allemaal een andere moeder, of we vertaalden haar – zoals ik nu doe – in onze eigen specifieke taal. Als Fred dit boek leest, zegt hij misschien: ‘Wie is die vrouw?’ Franny en Rose zullen wellicht protesteren. Hubby gromt misschien: ‘Wat een onzin.’ Gilbert zou de vrouw die mij had opgevoed niet herkennen. Maar Floyd, de andere schrijver in de familie, begreep precies wat ik bedoelde, en als we elkaar spraken, hief hij soms zijn vuist en zei: ‘De Furiën! Het onderlinge verraad! Het kannibalisme! Dit lijkt het Huis van Atreus wel!’
Moeders verhalen en vertrouwelijkheden verschilden per kind. Dat had ik al vroeg kunnen raden, want ze had de gewoonte om met elk van ons apart af te spreken. Ze moedigde ons aan haar los van elkaar te bezoeken en liet doorschemeren dat ze graag met cadeautjes werd verrast. Maar de telefoon was haar favoriete communicatiemiddel; die liet ruimte voor geheimzinnigheid en manipulatie. Ze genoot van het onverwachte van een telefoontje, de onvoorspelbaarheid van het gesprek, de kracht van het ophangen. In zeven telefoontjes – claimerige mensen zijn chronische bellers – vertelde ze steeds een andere versie van haar dag.
Dan belde ze bijvoorbeeld Fred, de oudste, het enige kind dat ze respecteerde en naar wie ze luisterde. Hij was een typische advocaat, behoedzaam en in staat twee tegenstrijdige opvattingen tegelijk te overdenken terwijl hij geen van beide geloofde. Ze stortte haar hart bij hem uit en dan zei hij: ‘Dit moet u doen, ma’, waarna het tegenovergestelde standpunt volgde: ‘Of u kunt dit doen.’ Later zou hij optreden als haar raadsman, haar verdediger, haar woordvoerder.
Of ze belde Floyd, de op een na oudste, die ze vreesde en verafschuwde, en over wie ze zei: ‘Hij was nooit helemaal goed snik.’ Floyd was universitair hoogleraar en een befaamd dichter. Hij zei altijd: ‘Kunst is de Hof van Eden waarin Adam en Eva de slang opeten.’
Of ze belde een van de zussen, Franny of Rose, beiden corpulent en net zo kortademig als anonieme ooggetuigen op tv die geschokt verklaren: ‘Ik woon hier al mijn hele leven, maar zoiets heb ik nog nooit meegemaakt!’ Beiden waren lerares op de basisschool en spraken iedereen aan alsof ze het tegen een kind hadden.
Of ze belde Hubby, de zwartgallige, over wie moeder zei: ‘Hij is heel goed met zijn handen.’ Hij werkte op de eerste hulp en had een schat aan gruwelijke verhalen.
Of ze belde Gilbert, haar lieveling, een diplomaat, die zich altijd in een waas van vrolijke vaagheid hulde. ‘Hij heeft het zo druk, dat arme kind, maar ik ben trots op hem.’ Moeder weigerde hem nooit iets.
Of ze belde mij, JP, zoals ik al vanaf mijn geboorte bekendstond. Moeder was op haar hoede bij mij, knipperde onzeker met haar ogen als ik op bezoek kwam en hoopte altijd dat ik snel weer zou vertrekken. Ze had graag gezien dat ik dokter was geworden; ze was nooit zo dol geweest op mijn schrijverschap. Als iemand een van mijn boeken prees, zei ze: ‘O?’ – alsof iemand haar met een stok wakker had gepord.
Moeder sprak ook met Angela, via de kracht van het gebed; Angela was de overleden zus. Dit kleine meisje was bij de geboorte overleden, haar leven uitgedoofd toen ze pas een paar uur oud was, maar ze had wel een naam (‘Het was net een engel’). Ze had een eigen karakter en bepaalde innemende trekjes, en ze maakte deel uit van het gezin. Angela werd vaak genoemd als het perfecte kind aan wie we een voorbeeld zouden moeten nemen.

© 2017 Atlas Contact

Lees hier het eerste hoofdstuk >
 


* Recensie door Trouw
* Recensie door Volkskrant
* Recensie door Cutting Edge

Co-vertalers: Betty Klaasse en Anne Roetman
Uitgever: Atlas Contact
Engelse titel: Motherland

Uitvoering: paperback
ISBN: 9789025451011
Normale prijs: € 27,99
Verschijning: juni 2017

Uitvoering: e-book
ISBN: 9789025451028
Normale prijs: € 17,99
Verschijning: juni 2017